dinsdag 21 juli 2020

HET WAPEN VAN HARLINGEN

Harlingen verkreeg in 1234 stadsrechten (vermoedelijk) en moet toen al rijk genoeg zijn geweest om ze te kunnen betalen. Koningen en keizers waren bevoegd ze te verlenen. De stad verwierf het recht om vestingmuren te bouwen, munten te slaan en markten te houden. Ook raakten het stadsbestuur en de rechtspraak nauw met elkaar verbonden. Stavoren (1118) en Hindeloopen (vermoedelijk in 1225) hebben oudere rechten, maar die van Leeuwarden (1435), Franeker (1374), Sneek en Amsterdam zijn recenter. Drachten en Heerenveen zijn vanuit die optiek dorpen, omdat ze nooit formeel een stad zijn geworden. Dat geldt ook voor Eindhoven, waaraan de PSV-supporters de strijdkreet “Boere, Boere” hebben ontleend.
Bij stadsrechten hoort een stadswapen, dat werd gevoerd en gebruikt in correspondentie, manifestaties en bij, al dan niet gewapende, conflicten.
Het Harlinger wapen kent 4 kwartieren, alternerend keel (rood, links boven) en zilver of argent (wit). De betekenis: “moed en opoffering” (keel) en “trouw” (zilver).
Rood en wit zijn ook de kleuren van de Rooms-katholieke Kerk en van de Orde van Tempelieren (Tempelridders).
Op de witte velden staan vier kruisen in keel en op de rode drie Franse lelies (in goud of or).
Traditioneel worden deze “details” verklaard als representaties van de aartsengel Michael (de kruisen) en de Moeder-maagd Maria (de “fleur de lis” ofwel de Franse lelie).
Andere interpretaties zijn echter mogelijk. De “fleur de lis” is een ornament, dat de andere details versterkt (de Tempelierenkruisen) en verbonden is met de Franse koningshuizen en wel speciaal de Merovingers. Dit was een dynastie van Franse vorsten, die regeerden na het vertrek van de Romeinse legioenen en werden opgevolgddoor Karel Martel en de Karolingische vorsten (o.a. Karel de Grote.) De Merovingische koningen stonden bekend als mystici met “helende handen”. Ze lieten uit spirituele overwegingen hun haar en baard groeien en zouden in bezit zijn geweest van de Heilige graal en waren de hoeders van de “bloedlijn van Christus (zie Maria Magdalena, de Da Vinci-Code). Zij versloegen de laatste Friese koning. De Frieslanden werden Frankisch.
Is er een link met Harlingen of Almenum?
We weten dat Almenum een heidens cultcentrum is geweest en het zou als een plek van heling en genezing gefunctioneerd kunnen hebben (letterlijke betekenis: begroeide hoogte). Net als Avalon (Arthur-mythe), was Almenum een eiland en de natuurreligie van de Friezen trok“druiden” aan, waarvan de genezende krachten door Romeinse geschiedschrijvers werd geroemd. Wynaldum was in die tijd een dynamische nederzetting, waar onder andere een goudsmid (of smeden) actief was en de daar gevonden fibula wordt “Merovingisch” genoemd, evenals de goudschat gevonden te Wieuwerd. De munten die hierin werden aangetroffen kwamen uit Frankrijk, Spanje en zelfs Constantinopel. Net als Karel de Grote, trokken de Merovingische vorsten (en de Friese koningen) binnen hun rijk van hof naar hof. Ze kunnen Wynaldum hebben bezocht en er een periode (soms een seizoen) hebben gebivakkeerd. Ook de Friese koningen bezochten Wynaldum regelmatig.
Op de zilveren velden van het Harlinger stadswapen staan vier kruisen. Ze zouden verwijzen naar Michael, de aartsengel, stadspatroon en vereerd in de St. Michaelskerk.
Bij nadere beschouwing zijn het geen klassieke kruisen, maar kruisen, uitlopend op het einde, met daardoor ook een speciale betekenis, door het gebruik dat de Tempelieren er van maakten.
Het zijn duidelijk Tempelierenkruisen en ze verwijzen naar de legendarische orde van ridders, met een religieuze roeping, die oorspronkelijk in de 12e eeuw werd opgericht om de pelgrims in het Heilige Land te beschermen. Dit gebied was door de eerste kruistocht veroverd en maakte pelgrimsreizen mogelijk naar bijv. Jeruzalem. De “Poor knights of Christ” verkregen de naam “Tempelridder”, nadat ze zich op de Tempelberg in Jeruzalem vestigden en daar hun hoofdkwartier inrichtten.
De orde groeide tot een formidabele Middeleeuwse macht met wel 30.000 leden. 1/3e van deze ridders vocht in het Heilige land, de overigen maakten een banksysteem mogelijk in West-Europa en investeerden in lucratieve handelsexpedities en nijverheid.
De Tempelieren orde werd daardoor schatrijk, ook in het bezit van land, dat door de adel werd geschonken, en financierden, tegen rente, menige oorlog in Europa. Ook zouden ze in het bezit zijn van heilige relikwieën, die ze in Jeruzalem en Constantinopel hadden verworven.
Ook was er een bloeiende handel in Friese paarden, waaraan de ridders de voorkeur gaven.
De ridders werden te machtig, zeker in de ogen van de Paus en de Franse Koning Philip de Schone. Deze vorst hield de Paus gevangen in Avignon en probeerde hem naar zijn pijpen te laten dansen. Er zijn momenten geweest, dat de ene Paus hof hield in Rome en de ander in Frankrijk.
In 1307 werd op vrijdag de 13e oktober, het grootste gedeelte van de leidende Tempelieren opgepakt en onder het mom van ketterij en afwijkend seksueel gedrag veroordeeld en ter dood gebracht. Daarmee kwam een einde aan de Tempelridders. Een gedeelte van de ridders vluchtte naar Portugal en Zwitserland. Ook doken ze op in Schotland en bevochten met succes de Engelsen. De lijfwacht van de keizer van Byzantium bestond o.m. uit voormalige Tempelridders. De organisatie of beter het netwerk van de ridders ging ondergronds en richtte zich op wereldlijke zaken. Karel de Grote verdeelde zijn keizerrijk in 325 “departementen” en “fortemannen” vertegenwoordigden Karel. Ook Harlingen was zo’n “departement”.Het was Gustav Forteman, die de heilige bomen op het eiland Almenum kapte en met het hout de eerste St. Michaelkerk bouwde (777). Deze “sterke man” onderstreept het economische belang en de religieuze functie van Almenum en de “boomtown” Harlingen, dat door Karel de Grote en later de Tempelieren werd onderkend. Er zal dus een “kantoor” van de Tempelridders in de stad zijn geweest. Wellicht dat Tempelieren ook hier na 1307 zich onzichtbaar hebben gemaakt en in de achtergrond opgegaan en verdwenen. Indirect zullen ze de handel en nijverheid hebben gestimuleerd. De welvaart in Oostergo en Westergo nam toe. Een economische boost, waar Harlingen en haar handelaren en avonturiers, van profiteerden.
Philips de Schone stond uiteindelijk met lege handen. De fameuze schat van de ridderorde werd niet gevonden. Officieus wordt verteld, dat de Tempelieren ruim van tevoren, mogelijk uit de kringen van de Paus, die in Avignon bivakkeerde, waren geïnformeerd en dat de orde naarstig zocht naar een veilig gebied. Hier zou ook de Tempelieren-schat worden verborgen. Begin maart 1307 vertrok er een karavaan van door lastdieren getrokken, zwaarbeladen karren, op weg naar La Rochelle. Hier werd de inhoud van de karren aan boord gebracht van, naar verluidt, 17 zeewaardige koggen. De vloot is nooit in haar thuishaven teruggekeerd.
Waar heeft men de schat verborgen?
Een goede kandidaat is Roslynn-chapel, nabij Edingburgh (Schotland). Onderzoekers hebben het bestaan van een onderaardse ruimte aangetoond, maar de beheerders van deze prachtige kapel weigeren toestemming te geven. Engeland kent nog een aantal historische plekken en monumenten, die te relateren zijn aan de Tempelridders (Temple Church). Onlangs is in het graafschap Shropshire een ondergrondse tempelcomplex ontdekt, dat aan de Tempelieren wordt toegeschreven.
Als “off-shoot” van het mysterie wordt al ruim 200 jaar gegraven op het Canadese “Oak-island”. Ook hier doen de meest wilde speculaties de ronde. De schat van Montezuma, de buit van de plundering van Havana, de kroonjuwelen van Marie Antoinette of de piratenschat van Captain Kidd, worden genoemd en gezocht. Op dit momenten is een boor- en graafproject gestart, dat miljoenen kost en bitter weinig heeft opgeleverd (tot nu toe).
Dit nog. De Tempelschat bestaat niet alleen uit goud- en zilverstaven, gouden munten en juwelen. De orde heeft, naar verluidt prominente religieuze objecten in het bezit gekregen, zoals juwelen van Salomo het Ware Kruis (uit Constaninopol), de Heilige Graal en de Ark des Verbonds. In Frankrijk dook gedurende deze periode “de Lijkwade van Christus” op die in Turijn wordt bewaard. Volgens de kronieken zou dit fameuze relikwie aan de Tempelieren, “poor knights of Christ”.
In het denken van de Middeleeuwen bezaten de ridders een enorme spirituele macht doordat ze over voorwerpen en materialen beschikten, die door Jezus zouden zijn gebruikt of anderszins aangeraakt. Zo was de speer van Longistus een veelgevraagd relikwie. Aan de speer werden magische krachten toegeschreven, omdat de Romeinse legionair een speer in het lichaam van de Heiland stak, dat bloed en vocht deed vloeien.
Blijft de betekenis van de Tempelieren-kruisen op het Harlinger stadswapen. De aanwezigheid van Tempelridders is evident, tijdens hun bloeiperiode in de 12e en 13eeuw, maar ook na 1307, toen de Franse koning een poging deed de Tempelieren uit de roeien. Honderden, zo niet duizenden werden op de brandstapel gebracht, maar dat was slechts een fractie van de 30.000 civiele ridders, actief in handel en nijverheid en vooral de geldhandel. Waren zij het die de bouw van de eerste stenen kerk mogelijk maakten? Om zich in te kopen bij de Harlinger vroedschap en Kerk. De Ludingakerk/klooster, bij Harlingen was een der grootsten en machtigsten van Friesland. Een prima schuilplek voor Tempelridders, die met de dood werden bedreigd. En versterking in mankracht voor de inpoldering en drooglegging in Noord-West Friesland konden de monniken goed gebruiken. Ook een klooster participeerde in de gemeenschap, dmv. Ziekenzorg, onderwijs, boeken kopieren in het scriptorium of het brouwen van bier en het maken van kaas.
Friesland was in die periode een “vrije zone”, heersers als de Hollandse graven, de Hertog van Gelre en Duitse vorsten, hadden hier weinig tot niets te zeggen. Ideale omstandigheden voor de opgejaagde ridders. Friesland lag geisoleerd en was over land bijna niet te bereiken. Dat overkwam zelfs Philips II. Toen hij zijn nieuwe bezittingen wilde bezoeken, niet verder kwam, dan de kop van Overijssel. Wel heeft hij Harlingen diverse schenkingen gedaan, waaronder de klok van het Havenmantsje. De vroedschap van Harlingen is het gelukt om Almenum van hem te kopen. Opnieuw een teken van de rijkdom van de stad. Harlingen kon nu volledig worden ommuurd. Harlingen werd een grote speler in de vrijheidsstrijd tegen de Spanjaarden en in de Engelse oorlogen.
Maar niets staat de volgende sprong in de weg.
Misschien waren de Franse schepen, vanuit La Rochelle, niet naar Schotland of Canada onderweg, maar naar Harlingen of liever Almenum, waar de schat vervolgens in de crypten van de Grote Kerk op de Berg is verborgen. Michael, de aartsengel als schutspatroon die ten strijde trok tegen het kwaad en zegevierde. Een perfect “role-model” voor de Tempelorde, die gedurende hun gehele bestaan de oprukkende Islam had bevochten.
Toen Almenum in gebruik was bij de Friezen en Almenum een religieus centrum, bekend om zijn druiden, barden en sjamanen en er sprake was van een “heilig” woud, zullen er tunnels en holten zijn gegraven. Ter bescherming, ter opslag en voor privacy. In Shropshire in Engeland is vrij recent een dergelijke tempelruimte ontdekt. Het geeft een fascinerend beeld, als daar de kaarsen worden ontstoken.
De bestaande ondergrondse ruimten kunnen worden verruimd en verborgen. De Tempelieren hadden daar ervaring mee. Ze bivakkeerden lange tijd tussen de restanten van het paleis van Salomo op de Tempelberg van Jeruzalem en groeven daar naar schatten (spiritueel dan wel materieel).
Ook de berg van Almenum is naar mijn mening een mogelijke locatie van de Tempelieren schat, verborgen onder steen en gras. Opgeborgen in de catacomben van de eerste stenen Michaelskerk zou de schat gemakkelijk te verbergen zijn. Vanaf het begin zullen de voormalige Tempelridders de schat hebbeN bewaakt. Dit geheim zal door de generaties heen zijn bewaard en gekoesterd, binnen de muren van de oude stad Harlingen.


De tradities en gebruiken, de kleding en versierselen van de Tempelieren worden in de moderne tijd door de Vrijmetselarij uitgedragen en vertegenwoordigd. Harlingen kent een loge. Zouden zij de bewakers en hoeders van de immense Tempelschat zijn?

donderdag 21 mei 2020

DE SLOOP VAN DE VOORMALIGE MICHAELKERK OP ALMENUM
De Nederlands Hervormde Kerk werd na de zelfstandigheidsverklaring van de 7 Provinciën de staatsgodsdienst. Het Katholicisme werd verboden en al haar bezittingen, waaronder kloosters en kerken en vervielen aan de staat. Het gevolg was, dat vrijwel alle kloosters werden geplunderd en vernietigd; de monniken raakten verstrooid en eeuwenoude kennis raakte in de vergetelheid. Religieuze kunst werd soms kapotgeslagen en verbrand. Muurschilderingen werden overgekalkt.
De Harlinger Hervormden namen bezit van de eeuwenoude Michaelkerk en noemden hem “de Grote Kerk”. Katholieken werden gedwongen ondergronds te gaan en maakte gebruik van, “getolereerde” schuilkerken. Pas aan het einde van de 19e eeuw kregen de katholieken toestemming om een kerk te bouwen. Dit werd de huidige Michaelkerk, aan de Zuiderhaven.
De houten kerk op Almenum was een eenvoudige, houten koorkerk met een geschatte diepte van 30 tot 40 meter. De kerk brandde een aantal malen af, waarop men besloot om een stenen kerk met een toren te bouwen Een geweldige onderneming. De tufstenen moesten uit Duitsland worden ingevoerd, de architecten en vaklieden, moesten worden ingehuurd.
Dit moet zich aan het eind van de 13e of begin 14 eeuw hebben plaatsgevonden. Het gaf deze plek ook een monumentaal karakter. In de volksmond sprak men over “de Dom van Almenum”. Misplaatst, omdat erin Harlingen nooit een aartsbisschop gezeteld was.
De protestanten deden nog meer. Het grote en belangrijke klooster Ludinga-kerk werd met de grond gelijk gemaakt, de gracht gedempt, de manuscripten en bezittingen raakten verstrooid en de terp, waarop het klooster stond werd uiteindelijk in zijn geheel afgegraven en als rijke landbouwgrond verkocht.
In 1771 was de “Grote Kerk” zo bouwvallig geworden dat het gemeentebestuur besloot dat er geen diensten gehouden mochten worden. Men besloot een nieuwe kerk. De grote tufstenen toren bleef staan.
In de zomermaanden van 1771 werd met de sloop begonnen. 500 stenen werden verkocht, terwijl met het andere puin de dijk bij het Midlumer Piepke werd opgehoogd. De stadsbouwmeesters Eelke Jelles en Willem Douwes kregen opdracht een nieuwe kerk in de vorm van het Griekse kruis te ontwerpen. Ook de bekende stucadoor-architect Jacob Otten Husly werd bij de plannen betrokken.
Doordat de nieuwe kerk vanwege zijn kruisvorm afweek van de plattegrond van afgebroken koorkerk. moest er overeenstemming met de eigenaren van de graven, binnen en buiten de kerk, worden bereikt.
Op 25 mei 1772 kon de eerste steen worden gelegd door Jonkheer van Plettenburg, vertegenwoordiger van de prins. De zilveren troffel die hij hierbij gebruikte, moet nog in het Hannemahuis te vinden zijn.
Hoewel het interieur nog in de grondverf stond en het orgel nog niet was aangebracht, werd de kerk, op verzoek van de magistraat (bestuurders) op zondag 1 januari 1775 in gebruik genomen in aanwezigheid van 3000
kerkgangers. Op deze zondag werd voor de eerste keer in alle Friese kerken uit de nieuwe berijming van de psalmen gezongen en werden die (psalmen) van Datheen “voor athoos afgeschaft”.
Ds. Piekenbroek was de voorganger. De dienst duurde van ½ 2 tot 4 uur, waarna er voor genodigden op het stadhuis thee werd geserveerd. Gevolgd door een goede maaltijd. Op 30 april 1776 werd het nieuwe orgel, dat gebouwd was door de befaamde Albertus Hinsz van Groningen geplaatst. Niet alleen hierom is het orgel van de Grote Kerk bijzonder. Hinz gebruikte bij de bouw edelmetalen. De mijnen waaruit hij toen kon putten, produceren die metalen niet meer. Het bepaalt de kleur en klank en is niet meer “na te maken”.
1
Leuk
Opmerking plaatsen


HARLINGER WANDELVERHALEN
DE BLIKKEN DOMINEE
DE MOORD AAN DE NOORDERHAVEN TE HARNS

Uit Harlingen wordt gemeld, dat de predikant van de Hervormde gemeente aldaar, J.Barger, eene jonge dochter, tot zijne gemeente behoorende. heeft doodgeschoten. Johan Barger werd in Amsterdam geboren en was eerder predikant in Garnwerd. In 1875, hij woonde toen nog in Amsterdam, publiceerde hij een dichtbundel: Van Bloesems en Knoppen.De aanleiding van de moord is teleurgestelde hartstocht. Het vermoorde meisje was als naaister werksaam aan het huis van den predikant. Deze liet haar op sijne studeerkamer komen om haar geld aan te bieden. Wat er toen tusschen hen beiden is voorgevallen, is niet met zekerheid bekend. Alleen is gebleeken, dat hij uit eene revolver seven schoten op haar heeft gelost. Men heeft vijf kogels in het hoofd van het meisje gevonden. De misdadiger is gisternamiddag 3 uur gevankelijk naar Leeuwarden vervoerd. Hij is een man van ruim 40-jarige leeftijd.
(Bron: Nieuwsblad van het Noorden, vrijdag 9 maart 1894)
Tarara boemdiee
De blikken dominee
Die schoot met kruit en lood
Zijn arme naaister dood
Nu zit hij in de kast
Al aan een ketting vast
De jongens roepen luid:
Die komt er nooit meer uit
Dit volksliedje (1894), is gemaakt n.a.v. de moord gepleegd door de Harlinger dominee J.Barger. Dominee Johan Barger woonde op de Noorderhaven nr. 29. Hij was in 1888 aangesteld als predikant bij de Hervormde Gemeente in Harns. De 17-jarige Catharina Helena Mirande, was de dochter van de eigenaar van een manufacturenzaak aan de Voorstraat, die ook op de Noorderhaven woonde. Cato was haar roepnaam en ze hielp, tegen betaling, de domineesvrouw met naai- en verstelwerk. Ze werd een huisvriendin. Uit de dagboeken van de dominee blijkt, dat hij vanaf 1892 geobsedeerd was van het meisje. Zo probeerde hij bij haar af te dwingen, dat ze, ook na een eventueel huwelijk, door hem mocht worden geliefkoosd. Was er sprake van enige instemming? We weten het niet. Op een bruiloft van de familie Mirande gaat dominee Barger zijn boekje ver te buiten en schopt hij een scene. De winkelier verbreekt elk contact en verbiedt ook zijn dochter om de familie Barger te bezoeken. Na een maand, op 6 maart 1894, krijgt Johan Barger zijn echtgenote zover om Cato bij hen thuis te inviteren. Misschien dat de zaak uitgepraat kon worden. Als zijn vrouw op de bovenverdieping de jas van Cato ophangt, lokt de dominee de jonge vrouw naar een voorkamertje en deed vervolgens de deur op slot. Toen zij hem afwees, werd de dominee razend, greep een revolver uit zijn broekzak en schoot op zijn jeugdige geliefde. Het eerste schot miste, het tweede bracht Cato ten val. Van dichtbij schoot hij nog een aantal malen door haar hoofd. Vervolgens pakte hij zijn hoge hoed en wandelde in alle rust naar het politiebureau.
Het pistool had hij nog bij zich.
Mevrouw Barger had het lawaai gehoord. maar toen ze beneden kwam, was haar man al op weg naar het politiebureau. Toen het tot haar doordrong, wat er was gebeurd, probeerde ze zich in de Noorderhaven te verdrinken. Haar dienstmeisje Eke kon dit nog maar net verhinderen.
Johan Barger werd tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Het vuurwapen had hij in Amsterdam gekocht. Hij overleed echter al in 1900 en werd op het gevangeniskerkhof te Leeuwarden begraven. Mevrouw Barger heeft Harlingen snel verlaten. De woning, waar zich dit drama heeft afgespeeld, is nog steeds aan de Noorderhaven te vinden. Als U wilt, kunt U een blik werpen in het voorkamertje waar de ontknoping van dit liefdesdrama plaatsvond.

Johan Barger en Cato

Leuk
Opmerking plaatsen